Samenvatting

Het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) is geschonden wanneer de veroordeling van een verdachte (voor vermeende medeplichtigheid met een terroristische organisatie) is gebaseerd:

[1] op verklaringen die de verdachte zelf zonder bijstand van een advocaat heeft afgelegd,

[2] op verklaringen die een medeverdachte zonder bijstand van een advocaat heeft afgelegd

[3] op schriftelijke bewijzen (diverse publicaties uitgaande van de terroristische organisatie) die werden aangetroffen bij de verzoeker en op het strafdossier in zijn geheel, in zoverre:

[1] de nationale rechter niet heeft onderzocht in hoeverre de verklaring die de beklaagde zonder bijstand van een advocaat heeft afgelegd als bewijs moet worden uitgesloten, en

[2] het nationale recht in onvoldoende waarborgen voorziet die garanderen dat in de concrete omstandigheden van de zaak de verklaring die de medeverdachte zonder bijstand van een advocaat heeft afgelegd, niet tegen de verdachte worden gebruikt.

Bron: EHRM (2e afd.) nr. 28338/07, 4 september 2018 (Ömer Güner / Turkije)

zie ook:

HUYSMANS, J., Salduz en derdenwerking na het Ibrahim-arrest, NJW 2019, afl. 397, 157

 

Gerelateerde opleidingen

Tijdens de webinar "10 jaar Salduz" zal Mr. Tom De Meester, na een algemene inleiding en situering van de wettelijke bepalingen een actuele stand van zaken met inzicht in de huidige wetgeving, rechtspraak en rechtspraktijk geven.