Samenvatting

De situatie van de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet, varieert op het vlak van de verhaalbaarheid naargelang hij wordt vervolgd op initiatief van de burgerlijke partij dan wel van het openbaar ministerie: in het eerste geval kan hij de verhaalbaarheid genieten en in het tweede geval niet. Het Hof heeft reeds herhaaldelijk geoordeeld dat het verantwoord is dat de burgerlijke partij slechts tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde of aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet, wordt veroordeeld wanneer zij zelf de strafvordering op gang heeft gebracht en niet wanneer zij haar vordering heeft doen aansluiten bij een door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering of wanneer een onderzoeksgerecht de verwijzing van de beklaagde naar een vonnisgerecht heeft bevolen. De wetgever mocht er immers redelijkerwijs van uitgaan dat in die gevallen, ook al worden de eisen van de burgerlijke partij niet ingewilligd, ze niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de strafprocedure ten aanzien van de beklaagde of de inverdenkinggestelde en bijgevolg ook niet veroordeeld kan worden om die te vergoeden voor de procedurekosten die bij die gelegenheid zijn ontstaan.

Referentieregel

Grondwettelijk Hof nr. 159/2018, 22 november 2018 (prejudiciële vraag)

Zie ook: "Rechtsplegingsvergoeding: ook na tien jaar nog strijdig met Grondwet" (noot Lamon, H.) - Juristenkrant 2018, afl. 379, 5

 

Gerelateerde opleidingen

Op 15 januari 2019 organiseren we de webinar "Rechtsplegingsvergoeding" waarin mr. Jachin Van Doninck aan de hand van recente rechtspraak dit 'koninginnenstuk van de gedingkosten' nader toelicht.