Samenvatting 

Artikel 4, 3°, van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Door de preventieadviseurs met een arbeidsovereenkomst die worden ontslagen in het kader van een collectief ontslag uit te sluiten van het voordeel van ontslagbescherming, heeft de wetgever een verschil in behandeling tussen preventieadviseurs gecreëerd naar gelang van de economische context van de onderneming, waarin zij worden ontslagen. Dat criterium van onderscheid is objectief. De aldus gecreëerde uitzondering op de toepassing van de ontslagbeschermingsregeling van de preventieadviseurs is pertinent. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding wordt immers, bij een collectief ontslag, de preventieadviseur, net zoals de andere ontslagen werknemers, ontslagen wegens de economische situatie van de onderneming. De reden voor het ontslag van de preventieadviseur houdt dus geen verband met de manier waarop hij zijn functie heeft uitgeoefend, zodat zijn onafhankelijkheid niet in het geding wordt gebracht. Een van de elementen van de definitie van het begrip « collectief ontslag » is precies het feit dat dit ontslag plaatsvindt « om één of meer redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemers » (artikel 62, 5°, van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling).

Bovendien beschikt de wetgever in sociaaleconomische aangelegenheden over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Aangezien de economische situatie van de onderneming een reden is die identiek is aan die voor het ontslag van de andere werknemers van de onderneming, die evenmin een ontslagbeschermingsregeling genieten, vermocht de wetgever te oordelen dat de specifieke ontslagbescherming die aan de preventieadviseur wordt verleend, niet noodzakelijk is bij een collectief ontslag. Het Hof dient nog na te gaan of het feit dat een werkgever een collectief ontslag zou kunnen aangrijpen om de arbeidsverhouding met een preventieadviseur te beëindigen om redenen die verband houden met diens onafhankelijkheid, geen onevenredige gevolgen kan teweegbrengen.

De procedure van inlichting en raadpleging die moet worden gevolgd bij een collectief ontslag en die een hoofdzakelijk collectieve procedure is, waarborgt op zich niet dat een dergelijke situatie zich niet voordoet. Het komt evenwel de bevoegde rechter toe, in voorkomend geval uitspraak doende in kort geding, een toetsing te verrichten, op verzoek van de preventieadviseur, van de werkelijkheid van de redenen voor het ontslag, op basis van de aan hem voorgelegde feiten van de zaak. Zulk een toetsing is voldoende om de evenredigheid van de in het geding zijnde bepaling te waarborgen.

 

Referentieregel

Grondwettelijk Hof nr. 73/2018, 7 juni 2018 (prejudiciële vraag)

Lees de tekst van het arrest hier

 

Gerelateerde opleidingen

Op 28 februari 2019 zetten mr. Hanne Cattoir en mr. Bart Vanschoebeke (Claeys & Engels) de voornaamste ontwikkelingen inzake Collectief ontslag op een rijtje tijdens hun studienamiddag die doorgaat in Sint-Niklaas.