Samenvatting 

Het geschil dat veronderstelt dat de vraag over het bestaan van de verkoop van een onroerend goed ten aanzien van de verkopers en de vraag over de ontbinding ervan beslecht worden, is onsplitsbaar in de zin van artikel 31 Ger.W.

Een onsplitsbaar geschil vereist van meet af aan de aanwezigheid in het geding van alle bij de betwiste verkoopovereenkomst betrokken partijen. Zo niet bestaat immers het gevaar op onderling tegenstrijdige beslissingen waarvan de gezamenlijke tenuitvoerlegging materieel onmogelijk is.

De vordering tot gedwongen uitvoering van de onderhandse verkoopovereenkomst werd door de geïntimeerde (koper) enkel ingesteld tegen de appellante (verkoper), maar niet tegen de rechtsopvolgers van de andere verkoper, de overleden echtgenoot van de appellante. Deze rechtsopvolgers werden door de geïntimeerde voor het eerst in hoger beroep in het geding betrokken, en dit enkel om hen het arrest bindend te doen verklaren.

Het hof besluit dan ook dat de wederzijdse vorderingen die de appellante en de geïntimeerde tegen elkaar formuleren niet ontvankelijk zijn wegens het onsplitsbaar karakter van het geschil en de afwezigheid van meet af aan van alle betrokken contractpartijen.

 

Referentieregel

Antwerpen (B1 k.) nr. 2012/AR/2772, 19 februari 2018

Vindplaats

P&B 2018, afl. 4, 161

Gerelateerde opleidingen

Op 18.12.2018 organiseert M&D in Gent de studienamiddag "Koop-verkoop onroerende goederen" waarin mr. Bart Van Baeveghem een overzicht zal geven van de recente rechtspraak.