Vonnis Vredegerecht Izegem - 26 april 2017

Exploitatie van activiteiten met modelvliegtuigen  – Foutaansprakelijkheid – Exceptie van onwettigheid van de milieuvergunning – Conformiteit met gewestplanbestemming – Agrarisch gebied – Bestemmingsongevoelige activiteit – Burenhinder – Onafhankelijk van het beschikken over de nodige vergunningen – Bewijs van bovenmatige hinder

(Samenvatting)

De vordering van eisers is gebaseerd enerzijds op fout (art. 1382 BW) en anderzijds op overlast (art. 544 BW). De uitbating van een terrein voor modelvliegtuigen vormt noodzakelijkerwijze een hinderlijke inrichting en zorgt dus uiteraard voor hinder. Vraag is of er ter zake sprake is van bovenmatige hinder. Eisers kunnen zich in die context dan ook beroepen op de leer van de burenhinder. Meteen kan daaraan toegevoegd worden dat het bestaan van bovenmatige hinder niet afhangt van het al dan niet voorhanden zijn van de nodige vergunningen. Een regelmatige vergunning belet immers niet dat de burgerlijke rechter nagaat of de uitgeoefende activiteit de burgerlijke rechten van de nabuur niet miskent.

Allereerst kan worden vastgesteld dat verweerster voor haar uitbating over alle vereiste vergunningen en machtigingen beschikt en dat haar op dat vlak alvast geen fout kan worden verweten. In casu situeren de reglementaire verplichtingen zich op het vlak van milieu, stedenbouw en luchtvaart. Met betrekking tot het milieu gelden de bepalingen van het Vlarem I. Uit deze bepalingen kan vooreerst worden afgeleid dat terreinen gebruikt als opstijg- en landingplaats waarbij wordt gevlogen met ten minste drie modelvliegtuigen, aangedreven door een elektrische motor, een inrichting van de klasse 3 zijn, waarvoor geen milieuvergunning vereist is maar een melding volstaat. Verweerster blijkt formeel in orde, maar de eisers werpen een exceptie van onwettigheid op voor de beslissingen van het College van Burgemeester en Schepenen inzake de milieumelding. In casu zijn de vaste constructies gedekt door het vermoeden van vergunning. Inzake de bestemmingsongevoeligheid kan worden geoordeeld dat er geen stedenbouwkundige strijdigheid voorligt welke leidt tot onwettigheid van de beslissingen van het College van Burgemeester en Schepenen inzake de milieumelding. (Art. 159 Gw; art. 4.1.1.1, lid 1 Vlarem II; art. 4.4.4. VCRO). Eisers roepen de exceptie van onwettigheid ook in ten aanzien van de door het Directoraat-generaal Luchtvaart verleende machtiging. Deze exceptie is gesteund op voormelde bewering dat de beslissingen van het College van Burgemeester en Schepenen onwettig zijn en dat derhalve een geldige milieuvergunning of melding ontbreekt. Gelet op het voorgaande, waarbij aangenomen werd dat wel een geldige aktemelding voorligt, mist ook deze exceptie elke grond.

Nu vaststaat dat verweerster geen fout kan worden verweten, kan er geoordeeld worden over de ‘al dan niet bovenmatige’ (buren)hinder, in casu gaat het om geluidshinder. De grens tussen last en overlast is in alle gevallen van burenhinder een feitenkwestie en derhalve onderworpen aan het soevereine appreciatierecht van de bevoegde rechtbank. In casu is de rechtbank van oordeel dat, aan de hand van de in casu voorliggende gegevens, niet kan worden besloten tot het bestaan van bovenmatige burenhinder. In casu wordt er ook geen expertise gevraagd en wordt er evenmin een aanbod met getuigen gedaan. Het betoog van eisers heeft zich overigens gaandeweg toegespitst op de wettelijke omkadering.

Vindplaats: TMR 2017, afl. 6, 763

Gerelateerde opleiding

 

Op 27.04.2018 gaat onze webinar 'Burenhinder' door. Mr. Bart Van Baeveghem geeft dan een praktijkgerichte update van deze problematiek waarbij we o.a. verder inzoomen de soorten burenhinder, het "nabuurschap" en de procedure.