Referentieregel
Arbh. Brussel (4e k.) nr. 2016/AB/1041, 11 september 2019

Samenvatting
De werkgever die inzonderheid aanvoert dat de raad van bestuur voorafgaand aan het verzoek tot ouderschapsverlof kennis had gegeven van zijn voornemen een werkneemster te ontslaan bewijst niet het bestaan van motieven vreemd aan de arbeidsvermindering uit hoofde van de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof. Zolang geen enkel voornemen te ontslaan ter kennis was gegeven aan de werkneemster kon de raad van bestuur zijn mening herzien en aan dat voornemen verzaken.

Het vermoeden van een discriminatie onderstelt vooreerst dat de werkgever het bestaan van een beschermd criterium in hoofde van de werknemer kent. De werkneemster bewijst geen feiten die een discriminatie op grond van het geslacht kunnen doen vermoeden wanneer uit de voorgelegde elementen niet kan worden afgeleid dat de arbeidsongeschiktheidsperioden als zodanig aan de grondslag van het ontslag liggen en dat de werkgever wist dat hun oorzaak in verband stond met de gevolgen van de zwangerschap en de bevalling.

Vindplaats
JTT 2019, afl. 1352, 477

Gerelateerde opleidingen

Tijdens onze jaarlijkse studienamiddag "Actualia Ontslagrecht" behandelen mr. Bart Vanschoebeke en mr. Ann Witters (advocaat-vennoten, Claeys & Engels) de voornaamste ontwikkelingen in het ontslagrecht vanuit en voor de praktijk.