De strafvordering t.a.v. de rechtspersoon bij bepaalde herstructureringsvormen kan niet vervallen indien de rechtspersoon voorafgaand met zekerheid weet dat hij voor een rechter zal moeten verschijnen.

Na Cassatie is nu ook het Grondwettelijk hof gevolgd: GwH 11 mei 2017, nr. 54/2017

(samenvatting arrest)

Geen schending (art. 246, § 2, en 504bis, § 2, van het Strafwetboek) - Geen schending (art. 20, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, in zoverre het een verschil in behandeling instelt tussen, enerzijds, de rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling, hun gerechtelijke ontbinding of hun ontbinding zonder vereffening in verdenking zijn gesteld door een onderzoeksrechter en, anderzijds, de rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling, hun gerechtelijke ontbinding of hun ontbinding zonder vereffening het voorwerp hebben uitgemaakt van een nominatieve vordering tot gerechtelijk onderzoek of van een nominatieve klacht met burgerlijke partijstelling) - Schending (art. 20, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, in zoverre het een verschil in behandeling instelt tussen, enerzijds, de rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling, hun gerechtelijke ontbinding of hun ontbinding zonder vereffening in verdenking zijn gesteld door een onderzoeksrechter en, anderzijds, de rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling, hun gerechtelijke ontbinding of hun ontbinding zonder vereffening door de raadkamer zijn verwezen naar de correctionele rechtbank of rechtstreeks voor de strafrechter ten gronde zijn gedagvaard)

Volledig artikel en bron: Waeterinckx Advocaten

Gerelateerde opleiding

Mr. Patrick Waeterinckx geeft op onze Juristendagen hierover een sessie: 'Update strafrechtelijke verantwoordelijkheid rechtspersoon en leidinggevenden'