In een arrest van 3 april 2017 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de problematiek van de (minnelijke) verdeling van nalatenschappen bij wijze van een dading. Opvallend: het Hof wijzigt hiermee zijn eerdere rechtspraak.

Cass. (3e k.) AR C.15.0508.N, 3 april 2017 (E.D / T.D., C.D., M.D.)

Samenvatting Cassatie-arrest:
Uit de samenhang van de artikelen 887,888, 2044 en 2052 BW volgt dat een deelgenoot wegens benadeling van meer dan een vierde kan opkomen tegen een verdeling die ten onrechte als dading werd gekwalificeerd, maar dat deze mogelijkheid niet openstaat ten aanzien van een werkelijke dading, namelijk een wederkerige overeenkomst waarbij de partijen wederzijdse toegevingen doen om de onverdeeldheid te doen ophouden. Het Hof komt hiermee terug op zijn eerdere rechtspraak. Door te oordelen dat de artikelen 887 en 888 BW primeren op artikel 2052 van hetzelfde wetboek en dat bijgevolg een overeenkomst van verdeling in de vorm van een reële dading vatbaar is voor vernietiging wegens benadeling voor meer dan een vierde, schenden de appelrechters deze wetsbepalingen.

Volledig artikel met bespreking van dit arrest en bron: Cazimir

Gerelateerde opleiding

Over de dading als rechtsfiguur in het algemeen, geeft Prof. Van Oevelen op 26 september 2017 een seminarie: De dading nader bekeken